Lucht

Luchtverontreiniging en geurhinder

Een goede luchtkwaliteit is van groot belang voor mens en ecosystemen. Bij verontreiniging van de lucht gaat het meestal om stofdeeltjes (fijnstof) en schadelijke gassen zoals stikstofdioxide en ozon (smog). Naast verkeer en industrie veroorzaken ook landbouw en de Nederlandse huishoudens luchtverontreiniging.

Om de schadelijke werking van luchtverontreiniging te beperken, stelt de overheid grenswaarden voor de hoeveelheid schadelijke stoffen in de lucht. De overheid maakt hierbij een afweging tussen bescherming van de volksgezondheid, ecosystemen en economische belangen.

Naast luchtkwaliteit speelt ook geurhinder een rol in hoe wij onze leefomgeving ervaren. Geur is overal om ons heen. Als geur een negatief effect heeft, spreken we van geurhinder of stankoverlast.


Metingen en berekeningen

Het RIVM meet continu de luchtverontreiniging op verschillende locaties in Nederland. Op het luchtmeetnet ziet u de meest recente waarnemingen. Deze observaties worden aangegeven in bolletjes met een bepaalde kleur. Op die site worden de resultaten van zowel het RIVM als van andere partijen weergegeven.

Naast metingen op een aantal punten, maakt het RIVM berekeningen. Bij een meting is de concentratie van die stof direct rond het meetpunt bekend. Met modelberekeningen kunnen de concentraties voor een groter gebied worden vastgesteld. Berekeningen zijn via diverse kaarten in deze Atlas ontsloten. Zo kunt u hier vier actuele uurlijkse kaarten bekijken; de actuele luchtkwaliteitsindex, de fijnstof concentratie (PM10), de ozon concentratie en de concentratie stikstofdioxide. Verder zijn er kaarten die de jaargemiddelde concentraties van diverse stoffen aangeven, zoals bijvoorbeeld de jaargemiddelde concentratie van fijnstof in 2015.

Actuele berekeningen, én die voor morgen en overmorgen, zijn tevens te vinden op luchtmeetnet.nl. Op die site kunt u een stof kiezen en de ontwikkeling daarvan door de tijd heen zien (tot en met overmorgen).

Laatst bewerkt: 13-11-2017

Lucht en gezondheid

Luchtverontreiniging kan luchtwegklachten en hart- en vaataandoeningen verergeren. Op zomerse dagen kan smog ontstaan. Dit kan zorgen voor duizeligheid, misselijkheid, hoofdpijn, irritatie van de ogen en ademhalingsklachten, zeker bij mensen die al luchtwegklachten hebben. Kwetsbare groepen zijn ouderen, kinderen, mensen met astma of longaandoeningen, hart- en vaatziekten of suikerziekte.

Luchtverontreiniging kan zowel bij kortdurende hoge blootstelling als langdurige blootstelling aan lage niveaus de gezondheid beïnvloeden. Lees over specifieke gezondheidseffecten op de achtergrondpagina's over fijnstof, stikstofdioxide en roet. Daarnaast zijn er ook gezondheidseffecten van geurhinder.


Verkeer en luchtverontreiniging

Uitlaatgassen en deeltjes die vrijkomen door slijtage van wegdekken en banden vormen een belangrijke bron van luchtverontreiniging. In uitlaatgassen zitten onder andere stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5), ultrafijnstof (PM0,1) en roet. Ozon wordt niet door verkeer uitgestoten. Onder invloed van zonlicht wordt dit in de lucht gevormd uit stikstofoxiden, koolmonoxide en vluchtige koolwaterstoffen. Bij warm weer met weinig wind kunnen de ozonconcentraties hoog oplopen.

Voor stikstofdioxide, roet en ultrafijne deeltjes (<PM0,1) is het verkeer een belangrijke bron. Dicht bij een drukke weg is de concentratie hoog. Op grotere afstand van de weg daalt de concentratie snel. De concentratie fijnstof, gemeten als PM10 en PM2,5, daalt niet zo sterk, omdat andere bronnen dan het verkeer voor dit fijnstof belangrijker zijn. Stikstofdioxide en roet zijn dan ook betere maten dan fijnstof (PM10 of PM2,5) om te bepalen hoeveel luchtverontreiniging het verkeer veroorzaakt, en welke effecten dit op de gezondheid heeft.


Verkeer en gezondheid

Mensen die vlak langs een drukke weg wonen, hebben een iets grotere kans op gezondheidseffecten dan mensen die verder weg wonen. Waargenomen gezondheidseffecten zijn een verminderde longfunctie, (chronische) luchtwegklachten, verergering van hart- en vaatziekten en lagere levensduurverwachting. Het gaat om mensen die binnen een afstand van 100 meter van een snelweg wonen of binnen 50 meter van een drukke stadsweg.

Kinderen die dicht langs drukke wegen wonen of naar school gaan hebben, gemiddeld, meer luchtwegklachten dan kinderen die ver van drukke wegen wonen of naar school gaan. Ook hebben ze gemiddeld een iets lagere longfunctie. Vooral het aantal vrachtauto's op de snelweg hangt hiermee samen. Het vermoeden bestaat dat de roetdeeltjes in uitlaatgassen (van vooral dieselmotoren) hierbij een belangrijke rol spelen.

Het is moeilijk om precies vast te stellen welke individuele stof of stoffen deze gezondheidseffecten veroorzaken. Het is ook moeilijk om vast te stellen op welke afstand van de snelweg er geen gezondheidseffecten meer zullen optreden.

Laatst bewerkt: 26-08-2016

Afweging belangen

De overheid moet rekening houden met verschillende belangen en een afweging maken tussen de bescherming van de volksgezondheid en economische belangen. Verhoging van de snelheidslimiet bijvoorbeeld kan leiden tot een iets kortere reistijd maar ook tot meer verkeersslachtoffers en een verhoogde uitstoot van fijnstof, stikstofdioxide en koolstofdioxide (een broeikasgas).

Voorbeelden van maatregelen die de overheid neemt om de risico's van luchtvervuiling voor de gezondheid terug te dringen zijn:

  • Gebieden instellen waar alleen schone voertuigen mogen komen (milieuzones);
  • Zorgen voor schoner openbaar vervoer;
  • Roetfilters verplicht stellen.
     

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL had als voornaamste opdracht om ervoor te zorgen dat vanaf januari 2015 heel Nederland onder de grenswaarden van fijnstof en stikstofdioxide zou blijven. Eind 2016 kwam het jaarrapport Monitoringsrapportage NSL 2016 uit. Dit rapport stelde dat in 2015 in het grootste deel van Nederland de berekende concentraties fijnstof en stikstofdioxide onder de Europese normen liggen. Echter, de norm voor stikstofdioxide wordt nog overschreden in een aantal drukken straten in stadscentra. De normen voor fijnstof worden vooral in enkele gebieden met intensieve veehouderij of industrie nog overschreden.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit gaat mogelijk nog een paar jaar door. Vanaf het moment dat de Omgevingswet ingaat, zal waarschijnlijk gewerkt gaan worden met aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Dat is een sterk afgeslankte vorm van de huidige monitoring, waarbij wordt ingezet op gebieden die nog een slag te maken hebben voor wat betreft fijnstof of stikstofdioxide.

Het Rijk heeft het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit opgezet. Daarin onderzoekt het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) met welke maatregelen de luchtkwaliteit in dichtbevolkte gebieden langs snelwegen te verbeteren is. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het overkappen van snelwegen, het gebruik van coatings op geluidschermen die stikstofdioxide afbreken en het planten van bomen en struiken langs snelwegen.

Saneringstool

Voor het NSL werd de saneringstool ontwikkeld; de rekenkundige onderbouwing van het NSL. Hiermee zijn de locaties, waar de grenswaarden overschreden werden, in kaart gebracht. De bij het NSL betrokken gemeenten, provincies en het rijk leverden hiervoor verkeersgegevens. Met de Saneringstool werd centraal de luchtkwaliteit berekend. De Saneringstool is in september 2009 vastgesteld en bevat lokale, regionale en rijksmaatregelen opdat alle knelpunten voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide opgelost zouden worden.

Monitoringstool

De Monitoringstool werd uit de Saneringstool ontwikkeld om de luchtkwaliteit te kunnen monitoren: worden de knelpunten inderdaad met het NSL opgelost? De resultaten van de Monitoringstool zijn vanaf 2010 jaarlijks uitgekomen en tonen  de veranderingen op alle rekenlocaties. Eind 2017 komt de eerstvolgende rapportage van de monitoringstool uit. Nu we aan alle Europese normen moeten voldoen, is de vraag of er de komende jaren nog een dergelijk uitgebreid verslag wordt gemaakt.

Grenswaarden

De Europese Unie heeft grenswaarden opgesteld voor stoffen in de lucht. Het gaat om de schadelijke stoffen zwaveldioxide, fijnstof, stikstofdioxide, lood, benzeen en koolmonoxide. Grenswaarden mogen niet overschreden worden.

Er zijn ook streefwaarden opgesteld. Voor streefwaarden heeft de overheid een inspanningsverplichting: ze moet haar best moet doen om de concentratie onder de streefwaarde te krijgen.

Een overzicht van de normen en de streefwaarden vindt u op het Compendium voor de Leefomgeving. Daarin staat ook vermeld of de norm gericht is op bescherming van de gezondheid van mensen of op bescherming van de natuur.

Enkele luchtnormen zijn:

Stof                                                   Norm                             Status
Zwaveldioxide (SO2) 125 µg/m3

Daggemiddelde; mag op niet meer dan 3 dagen per jaar overschreden worden

Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m3 Jaargemiddelde Grenswaarde vanaf 2015
Fijnstof (PM10) 40 µg/m3
50 µg/m3
Jaargemiddelde
Daggemiddelde; mag op niet meer dan 35 dagen per jaar worden overschreden
Grenswaarde
Fijnstof (PM2,5) 25 µg/m3
20 µg/m3
Jaargemiddelde
Jaargemiddeld, bepaald over metingen op stedelijke achtergrondlocaties
Grenswaarde vanaf 2015
Ozon (O3) 120 µg/m3 Voortschrijdend gemiddelde over 8 uur Streefwaarde
Koolmonoxide (CO) 10.000 µg/m3 Voortschrijdend gemiddelde over 8 uur Grenswaarde
Benzeen 5 µg/m3 Jaargemiddelde Grenswaarde


Het voortschrijdend gemiddelde is een gemiddelde dat telkens opnieuw over de afgelopen 8 uur wordt berekend, maar waarbij de 8-uursperiode opschuift bijvoorbeeld van 2 tot 10 uur, van 3 tot 11 uur en van 4 tot 12 uur.

Laatst bewerkt: 27-07-2017

Goedgekeurde rekenmethoden

Er zijn twee standaardrekenmethoden toegestaan om de luchtconcentraties langs wegen te berekenen. Voor wegen binnen een stedelijke omgeving moet standaardrekenmethode 1 (SRM1) gebruikt worden en voor wegen in het open veld standaardrekenmethode 2 (SRM2). De luchtkwaliteit rond industrie of landbouw wordt berekend met SRM 3, de rekenmethode van het Nieuw Nationaal Model (NNM).

Standaardrekenmethode 1, SRM1

Met SRM1 kunnen de concentraties van luchtverontreinigende stoffen op relatief korte afstanden tot de wegas worden berekend. Afhankelijk van het wegtype is dit tot 30 of tot 60 meter. SRM1 is niet geschikt voor het berekenen van de luchtkwaliteit achter bebouwing. Het is met deze methode ook niet mogelijk om rekening te houden met de invloed van een verhoogde of verdiepte ligging van de weg en met afschermende constructies, zoals geluidschermen en tunnels. Standaardrekenmethode 1 houdt wel rekening met de invloed van aanwezige bomen op de luchtkwaliteit.

Standaardrekenmethode 2, SRM2

Met SRM2 kan de luchtkwaliteit worden bepaald langs wegen door een open, gewoonlijk buiten stedelijk, gebied. Als er bebouwing langs de weg is, kan SRM2 alleen gebruikt worden als de afstand tussen de bebouwing en de weg groter is dan drie keer de hoogte van de bebouwing. Met SRM2 kunnen concentraties worden berekend op relatief grote afstand van de weg. In de praktijk beperken de berekeningen zich meestal tot 1000 meter afstand. Met SRM2 is geen rekening te houden met de invloed van tunnels.

Standaardrekenmethode 3, SRM3

SRM3 is in Nederland voorgeschreven om de gevolgen van punt- of oppervlaktebronnen voor de luchtkwaliteit te berekenen. SRM3 is gebaseerd op de afspraken die zijn gemaakt in het kader van het Nieuw Nationaal Model (NNM).

Goedgekeurde rekenmodellen

Verschillende instanties hebben rekenmodellen ontwikkeld, die gebaseerd zijn op één van de boven beschreven rekenmethoden. De overheid heeft in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 aangegeven welke rekenmodellen gebruikt mogen worden om de luchtkwaliteit te berekenen. In deze regeling is aangegeven dat het CAR-model voldoet aan SRM1 en het Voorspellingssysteem Luchtkwaliteit Wegtracévarianten (VLW) aan SRM2. Een ander model mag alleen gebruikt worden als dit is goedgekeurd door de minister van Infrastructuur en Milieu. De goedgekeurde rekenmethoden worden gepubliceerd op de website van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De lijst met goedgekeurde modellen wordt regelmatig geactualiseerd.

Het verschil tussen berekenen en meten

Metingen van stikstofdioxide en fijnstof geven informatie over de situatie direct rond het meetpunt tijdens de metingen. Metingen worden dus sterk beïnvloed door bronnen in de directe omgeving. Het is soms lastig om de locatie van een meetpunt zo representatief mogelijk te kiezen.

Met modelberekeningen kan informatie verkregen worden over de concentraties in een groot gebied. De resultaten van modelberekeningen worden in Nederland regelmatig met metingen vergeleken en hier zo nodig aan geijkt. Voor berekeningen in stedelijk gebied vindt de controle jaarlijks plaats. In het kader van de monitoring van het NSL voert het RIVM naast de reguliere metingen ook extra metingen aan stikstofdioxide en fijnstof uit.

Laatst bewerkt: 26-08-2016